Halverwege de negentiende eeuw was de infrastructuur in Overijssel niet berekend op de groei van de industrie. Wegen waren ongeschikt voor zwaar goederenvervoer, spoorwegen waren er nog nauwelijks en veel rivieren waren lastig bevaarbaar. Daarom besloten Gedeputeerde Staten van Overijssel in 1847 tot de aanleg van een kanaal tussen Zwolle en Almelo, met zijtakken naar Deventer en de Vecht.
Van spoorplan naar kanaal
Voor de aanleg werd de Overijsselse Kanalisatie Maatschappij (OKM) opgericht. Een deel van het benodigde geld kwam beschikbaar nadat plannen voor een spoorlijn door Overijssel niet doorgingen. Gemeenten, particuliere investeerders en aandeelhouders brachten vervolgens gezamenlijk het kapitaal bijeen om het kanaal aan te leggen.
De mensen achter het plan
De plannen voor het kanaal werden uitgewerkt door ingenieurs Leonard van de Kasteele, Willem Staring en Thomas Stieltjes. Staring onderzocht de waterhuishouding in Overijssel, waarna hij samen met Stieltjes het rapport De Overijsselsche Wateren opstelde. Dit rapport vormde de basis voor de aanleg van het Overijssels Kanaal. Nadat Van de Kasteele in 1854 terugtrad als ingenieur-directeur, nam Stieltjes zijn werkzaamheden over.
Met de schop gegraven
De aanleg begon in 1852. Tussen Zwolle en Laag Zuthem werd de bestaande Nieuwe Wetering verbreed en uitgediept. Vanaf daar werd een nieuw kanaal gegraven richting de Regge. Dat gebeurde grotendeels met de hand. Op sommige trajecten werkten dagelijks vier- tot zeshonderd arbeiders aan de nieuwe waterweg. De uitgegraven grond werd gebruikt om de oevers op te hogen.
Veel graafwerk werd uitgevoerd door aannemers. Een groot deel van de arbeiders kwam uit Zuid-Holland en stond bekend als de polderjongens. Zij maakten de bodem los met baggerbeugels en schepten het slib uit het water. De Overijsselse Kanalisatie Maatschappij hield de kosten scherp in de gaten en beperkte het aantal vaste medewerkers.
Bruggen en sluizen
Bij de aanleg van het kanaal hoorde ook de bouw van sluizen, stuwen en bruggen. De ingenieurs bestudeerden hiervoor waterwerken in Frankrijk. Langs het kanaal verschenen schutsluizen, keersluizen, spuisluizen en beweegbare bruggen. Bij de opening lagen er slechts drie ophaalbruggen; de meeste overgangen bestonden nog uit houten vlotbruggen.
De voltooiing
Het kanaal werd in verschillende trajecten aangelegd. Het laatste deel, de verbinding naar Deventer, werd in augustus 1858 gevuld met water. Door de droge zomer duurde het acht dagen voordat het kanaal overal op peil stond. Op 7 september 1858 werd het Deventer Kanaal officieel geopend voor de scheepvaart. Daarmee was de nieuwe waterverbinding compleet.